vrijdag 17 juli 2015

Onverzettelijk



“Hoe sterk is de eenzame fietser,
die kromgebogen
over zijn stuur tegen de wind
zichzelf een weg baant?”

Boudewijn de Groot (Jimmy)


Triatleten zijn sterk. Het is dan ook niet geheel toevallig (denk ik) dat iemand ooit de titel Ironman heeft bedacht voor een stel malle jongens die het in hun hoofd haalden om 3,86 kilometer te gaan zwemmen, 180,2 kilometer te gaan fietsen en 42,195 kilometer te gaan hardlopen. De ijzeren man (of vrouw)! Kan het sterker?

Ik ga vandaag beweren van wel. Maar voordat ik dat doe, beloof ik dat het geen scheikundeles wordt over metalen en legeringen. Ik ga het ook niet hebben over (tri)atleten die nog extremere avonturen ondernemen. En ik ga het al helemaal niet hebben over de Hoyten en de Duinisvelden van deze wereld. Deze laatste groep mensen verdienen met recht een boek in plaats van deze column (Zo, heb ik me op slinkse wijze tegen die kritiek ingedekt :-) )

Nee, ik ga het vandaag hebben over een triatleet, die evenals Boudewijn de Groot zijn eenzame fietser, kromgebogen over zijn stuur tegen de wind zichzelf een weg baande. Maar nu tijdens een hele triatlon op Lanzarote. Op een fiets met een versnellingsapparaat dat niet meer mechanisch wilde schakelen.

De jongen, waar ik het over heb, is afgebeeld op de Team4Talent-Facebookpagina op een foto van 23 mei jongstleden. Het is een sprekende foto, waarin de snelheid van de fietser verbeeld wordt door de beweging van de Fast-Forward-velgen en de malheur van de triatleet te zien is in zijn rechterhand. Terwijl hij met een, voor triatleten zo typerende, open mond zijn ademhaling onder controle houdt, verzet hij met zijn rechterhand de ketting van zijn tijdritfiets van het binnenblad naar het buitenblad. De klasse van de triatleet, zijn vastberadenheid en de ellende van een defect derailleur gevangen in één beeld. Fantastisch. En alsof de foto nog geen boekdelen spreekt, het volgende bijschrift:

“But I could still shift the chain with my hands after my front derailleur broke. I had the plan to race my own race and that was still possible. But unfortunately not with the result I hoped for.”



Na het lezen was ik heel even sprakeloos. Wat een veerkracht, dacht ik. Hier spreekt een Mindfulnessgoeroe pur sang. Leven in het moment was voor mij zelden zo evident. Natuurlijk heeft iedereen te stellen met tegenslag in het leven, maar hoe ga je om met tegenslag als de testosteron en cortisol door je lichaam giert en je hartslag overuren maakt? Ik weet niet wat ik zou hebben gedaan, maar de jongen die ik voorheen kende als de vrolijke en sympathieke Tukker van GSTV Tritanium en later Team4Talent bleek nu Boeddha “himself” te zijn.

Ik dacht er nog eens over na en zag mezelf acteren in verschillende scenario’s. Zo zag ik mezelf mijn fiets van de berg afgooien of onverschillig op de fiets  zitten mopperen. Wat ik mezelf niet zag doen, is tijdens het looponderdeel oprukken van plaats 200 naar plaats 15. Dat deed deze jongen wel. Wat een waanzinnige prestatie!

Voor mij is deze jongen een held die beschreven zou moeten worden in een jongensboek: de onverzettelijke Mark. Net als zijn derailleur.


dinsdag 11 november 2014

Droom

Dreams to survive
Dreams make a wish come true, oooh
Keep your dreams alive
Dream... dream on
Your dream will come alive

2 Brothers on the 4th floor (Dreams)

Hij was hier vaker geweest. Dat wist hij zeker. Hij herkende de spullen. Een gele fietspomp voor een tube met een Frans ventiel lag naast een stel lichtgewicht bandenlichters. Daarboven zweefde een binnenband voor een wiel met een hoge velg. De ruimte waarin hij stond rook naar gebruikte poetsdoeken en kettingolie. Hij werd er een beetje melancholisch van omdat hij zeker wist dat hij ruim een jaar geen racefiets had schoongemaakt. Toen hij zich omdraaide, schrok hij.  De versnellingshendels van een tijdritfiets prikten in zijn buik. Hij bekeek de fiets die er zonet nog niet stond. Er hing een startnummerband aan het stuur met zijn naam erop. De fiets was wedstrijdklaar, want zijn geltasje was op het frame gemonteerd en zijn fietsschoenen zaten vastgeklikt in de pedalen. Op de zadelpen plakte een sticker met het startnummer van zijn laatste wedstrijd. Het begon hem te dagen dat deze ruimte zijn eigen schuur moest zijn. De andere fietsen staan vast buiten dacht hij.

Hij schoof de tijdritfiets opzij en deed een kleine stap voorwaarts. In plaats van de schuurdeur, trof hij een chaise longue. Hij was in een andere ruimte dan zoeven en dit leek op zijn woonkamer. Er lag een bebaarde man, gekleed in doktersjas, op de chaise longue. De man, die zich voorstelde als De Anesthesist, bekeek Youtube-clips over triathlon op een IPad. De jongen keek over de schouder van de man mee en meende het filmpje over Scott Goodfellow te herkennen. De anesthesist draaide zich om, keek hem diep in de ogen aan en playbackte mee met de monoloog van de triatleet die op het beeldscherm was verschenen: "Ironman is a swim, a bike and a run, it's what I do everyday of my life". De anesthesist begon te lachen toen daarna een knappe dame op het beeldscherm verscheen en zei: "It is sort of like a drug, Ironman is the drug". De anesthesist fluisterde: "Jij wilt je drugs hè?”. Toen begon hij nog harder te lachen.

Terwijl de zin over de verslavende werking van Ironman zich herhaalde en herhaalde, begon het gele Post-its te regenen waarop trainingsschema's geschreven waren. De Post-its vielen op zijn hoofd en elke keer als hij er eentje probeerde te verwijderen trok hij een badmuts van zijn hoofd. Hij werd er zenuwachtig van en begon te zweten. "Misschien moet je je wetsuit uitdoen als je in huis loopt", zei zijn vriendin die klaarblijkelijk ook in de kamer aanwezig was. "Zo ga je nooit onder de drie uur op de marathon", voegde ze er aan toe. Hij schrok wakker.

De jongen opende zijn ogen en realiseerde zich dat hij op de bank in slaap was gevallen. Hij zag een brief van het ziekenhuis op de eettafel liggen met de instructies voor zijn aanstaande knieoperatie. Hij moest aan de werkelijke woorden van de anesthesist denken tijdens het intakegesprek eerder die week. "Denk aan iets moois, en je zult tijdens de narcose er over dromen." De jongen dacht aan iets moois, pakte een balpen en schreef op een Post-it: "Ironman 2015/2016?". De Post-it plakte hij op de brief van het ziekenhuis. Daarna kraste hij het vraagteken weg en verving het door een uitroepteken. 

Hij had zich goed voorbereid.


zaterdag 14 juni 2014

Het experiment

Just eat it, just eat it,
Get yourself an egg and beat it
Have a banana, have a whole bunch
It doesn't matter what you had for lunch

Weird Al Jankovic (Eat it)


Het is ongeveer een maand geleden dat ik een doosje sportvoeding in de kledingkast vond. Een doosje met gelletjes van het merk dat letterlijk vertaald "wetenschap in sport" heet. Je weet wel, dat merk dat, wanneer je het fonetisch uitspreekt, doet denken aan een leeglopende tube. Er zaten zeker nog dertig gelletjes in en alle smaken waren ongeveer evenredig vertegenwoordigd. Voor zover je van smaak kunt spreken.

Om heel eerlijk te zijn, was ik me er allang niet meer van bewust dat dit overlevingspakket voor de langere duurrit nog bestond. Het laagje stof op de doos leek mijn onwetendheid te bevestigen. En toen ik bij inspectie ook nog eens een medaille van een hardloopwedstrijd uit 2010 en een uitgedroogde proefverpakking massage-olie vond, wist ik het zeker. Ik had een doosje antiek gevonden.

Antiek gooi je niet weg dacht ik. Dus de medaille verdween ogenblikkelijk in een schoenendoos. Echter, uitgedroogde massage-olie had geen enkele emotionele of monetaire waarde. En daarom gooide ik de verpakking dan ook gedecideerd op de grond om het na mijn archeologische avontuur in de afvalbak te kunnen gooien. In een reflex wilde ik hetzelfde doen met de sportvoeding, maar toen werd de triatleet in mij wakker.

Ik dacht, een beetje triatleet is altijd wel in voor een experiment. Of het nou om revolutionaire badpakken bij het zwemmen gaat, om ovaalvormige kettingbladen op de fiets, of strakzittende sokken bij het hardlopen; een triatleet is bereid om alles te proberen als het eventueel een seconde tijdwinst kan opleveren in een wedstrijd. En dus, bij wijze van experiment, besloot ik de gelletjes op te eten.

Natuurlijk at ik de gelletjes niet tegelijk op. Dat zou wel heel debiel zijn. Nee, ik veranderde in een aspirant laborant en sorteerde de verpakkingen netjes op houdbaarheidsdatum. Helemaal links op onze boxspring lagen de gelletjes van "Dec 2013" en helemaal rechts lagen, als ware het echte collector items, de gelletjes waarop stond "Oct. 2009".

Heel even dacht ik aan de mogelijkheid dat oude gel evenals oude whisky beter wordt naarmate het ouder wordt. Zou mijn antieke gel de Panoramix-achtige toverdrank zijn waar ik al die jaren zo naarstig naar op zoek ben geweest om de wel getalenteerde triatleten te verslaan? "Anything is possible" is het motto van Ironman en daar wil ik graag in geloven. Dus als jullie mij binnenkort voorin bij een Eredivisiewedstrijd zien lopen, dan weet je waardoor het komt ;-).

Terug naar de werkelijkheid. Om niet al te hoog van de toren te blazen, besloot ik om mijn experiment realistisch en praktisch te houden. Vanaf nu, dacht ik, neem ik elke fietstraining twee gelletjes mee en ik begin bij de meest recente houdbaarheidsdatum. Wat ik wilde weten is hoe lang je terug kunt in de tijd voordat je ziek, zwak, of misselijk wordt van gel dat (ruim) over datum is. Het klinkt wellicht een beetje muf, onsmakelijk of vies, maar in tijden van economische crisis en bezuinigingen, leek het me een relevante onderzoeksvraag.

Inmiddels heb ik een aantal trainingen erop zitten en ben ik bij "Apr. 2012". De gelletjes zijn nog altijd prima binnen te houden.


vrijdag 9 mei 2014

Overleven


Face to face, out in the heat
Hanging tough, staying hungry
They stack the odds 'til we take to the street
For the kill with the skill to survive

Survivor (Eye of the tiger)


Het was een paar minuten voor de start en daar stond hij dan. Hij was al maanden in training voor de hele en vandaag zou hij zichzelf testen. Een test tijdens de Eerste-divisie-wedstrijd in Oud Gastel. Een test op de incourante derde-afstand: 1,3km zwemmen, 60km fietsen en 14km lopen. Het was voor hem de ideale test om diep te gaan. Zo dacht hij.

Hij had zich voorgenomen om net zo hard te gaan als tijdens de Olympische afstand. In zijn geval zou dat betekenen om 37 kilometer in een uur te fietsen en 15 kilometer per uur te lopen. Daar had hij verder niet al te lang over nagedacht. Dat moest gewoon. En nu hij dat besefte, en ook nog eens zoveel sterke triatleten aan de start zag staan, was hij zo nerveus als een puber die voor het eerst met het mooiste meisje uit de klas flirtte. Hij moest namelijk eerst nog zwemmen.

Hij hield niet van het water waar hij zo in moest springen. Een kanaal, koud, smal en oneindig. Zoals de Schipbeek in Holten, maar nu met een keerpunt dat hij niet kon zien, omdat hij geen zwembril op sterkte bij zich had. Hij kreeg zelfmedelijden. Waarom wilde hij dit doen als hij vandaag ook gewoon in een verwarmd 25-meter bad had kunnen zwemmen? Gewoon, ontspannen met zijn vieren op een baan in plaats van tweehonderd sardientjes die allemaal zo snel mogelijk de eerste boei willen ronden.

Toen willekeurige gedachten over sardientjes en onzichtbare keerpunten zich opstapelden, kreeg hij visioenen over zomerse oorden, waar mensen slechts het water indoken als het te heet op de strandstoel werd. Een Fata Morgana maar dan andersom. Als een roepende in de woestijn was hij niet op zoek naar vocht. Hij wilde er juist van af. Hij schrok toen het complete deelnemersveld van de steiger dook en besloot om zijn wetsuit vol te plassen. De angst droop langs zijn benen en dat luchtte op. Een beetje.

Samen met een jongen die geen wetsuit had, dook hij als laatste het water in. Terwijl hij het zicht door zijn zwembril nog wat probeerde te verbeteren, sprintte de wetsuitloze jongen naar de eerste rij van het startveld. Hij had duidelijk geen wetsuit nodig. Hijzelf zocht een plaatsje op de derde rij, waar hij hoorde. Tussen de grote mannen die ook niet konden zwemmen. Heerlijk, een plaatsje in de wasmachine, dacht hij. Hij verlangde nu al naar zijn fiets.

Het startschot klonk. Waarom had hij gedacht dat hij frank en vrij zichzelf kon testen tijdens een wedstrijd als deze? Het kabbelende beekje veranderde in een woeste zee. De anders zo kalme triatleten veranderden in bloeddorstige piranha’s. In een tijdsbestek van twintig seconden werd hij twee keer geschopt, een keer aan zijn schouder getrokken en hing zijn linker brilglas ter hoogte van zijn onderlip. Het kanaal was een loopgraaf geworden. Tweehonderd sterke triatleten vochten om te overleven en hij zwom met de gedachte om lekker te kunnen trainen? Hoe stom kon hij zijn? Dit was een wedstrijd “om het echie”.



zondag 13 april 2014

Klederdracht

You’re so vain,
you probably think this song is about you

Carly Simon (You're so vain)


Het was niet de eerste keer dat hij deze sportschool bezocht. In zijn studentenjaren kwam hij hier wekelijks. Na een hardlooptraining op de baan ging hij dan samen met studiekameraden bankdrukken. “Om de spanning wat op te voeren”, zeiden ze dan. En omdat dat niet genoeg was, gingen ze daarna ouwehoeren met medicineballen. “Voor de buikspiertjes”. Dat was lang geleden.

Nu tien jaar later stond hij weer in dezelfde ruimte. Het leek alsof hij nooit was weggeweest. Het was er nog net zo druk, de jongens waren nog net zo macho, de meisjes waren nog net zou knap en het rook er nog altijd hetzelfde. Zweet en schoonmaakmiddel. Een uitermate penetrante combinatie.

Het enige dat anders was, afgezien van de nieuwe fitnesstoestellen, was hij. Hij was ouder geworden, maar dat was het probleem niet. Door de vele triatlontrainingen na zijn studentenperiode was hij goed geconserveerd gebleven. En omdat hij net de tondeuse over zijn hoofd had gehaald, waren de grijze haren ook nauwelijks zichtbaar. Waarschijnlijk had niemand hem opgemerkt als hij gewoon een joggingbroek en een effen zwart hemd had gedragen. Maar dat had hij niet. Zijn klederdracht was atypisch en daarom keken de andere aanwezigen in de zaal hem meewarig aan. Alsof er een Marokkaan een PVV-bijeenkomst binnenliep.

Voor hem was zijn outfit niet meer dan normaal. Zijn lichtblauwe shirt, waarop stond dat hij de finish was gepasseerd tijdens de Ironman 70.3 van Rapperswil, viel op zich niet zo op. Zijn rode Skinfit-tight was, toegegeven, wat kwestieuzer. Met name omdat zijn edele delen ietwat geaccentueerd werden. Ook de zilverkleurige letters op zijn dij vielen op, maar dat alles viel in het niet bij de knalgele schoenen met een neonblauw Nike-logo. Door de onsamenhangende kleuren leek hij op een paradijsvogel, die alleen onder zeer bepaalde omstandigheden onopvallend zou zijn gebleven. Tijdens een Lady Gaga-concert en te midden van een groep triatleten.

Bij de Ironmans waar hij aanwezig was geweest, had hij ze wel gezien. Van die excentriekelingen die vanaf een aantal dagen voor de wedstrijd rondzwierven in de omgeving van het inschrijfbureau en expo. Hun huid getatoeëerd met tribale tekens en allerhande triatlonsymbolen en hun kleding als kerfstok. Dat wil zeggen: een broek van een bij voorkeur groot kampioenschap. Als het even kon gesponsord door Ford. Een shirt van een recent evenement. Ironman wel te verstaan. De onderbenen bedekt met compressiekousen, want je kunt immers nooit genoeg herstellen. En altijd neonkleurige schoenen. Als ijdele paradepaardjes liepen ze heen en weer om te kijken en bekeken te worden.

Hij was een aantal keren getuige geweest van deze catwalk en had zijn ogen uitgekeken als hij er weer eentje zag die zich probeerde te onderscheiden van de massa. Meestal vond hij het grappig. Soms een beetje pathetisch.

Maar nu stond hij daar tussen de studenten in zijn lichtblauwe-felrode-kanariegele-neonblauwe tenue. Zichzelf realiserend dat hij zich langzaam maar zeker had aangepast aan de triatlonmode. Hij was in de jaren langzaam veranderd in een triatlonlemming, die zich had geschikt aan de normen van de groep. Binnen de groep viel hij waarschijnlijk niet op. In deze sportschool wel.



maandag 17 februari 2014

Onvolmaakt in de polder




Look at this photograph
Every time I do it makes me laugh
How did our eyes get so red?
And what the hell is on Joey’s head

Nickelback (photograph)


Ik staar nu al zeker drie minuten naar de foto op de cover van de januari-editie van de Triathlon/Duathlon Sport. Ik vraag me af waarom de foto mij zo bezighoudt. Het is niet een bijzonder mooie foto. Tenminste, niet als ik de regels van de gulden snede toe zou passen. De verhouding van de witgrijze lucht tot de drie triatleten is als de verhouding tussen Boer Wim tot zijn recente Boer-Zoekt-Vrouw-verhouding. Enigszins buiten proportie. Waarom? Waarom had de fotograaf toch zijn lens in de portretstand? Was hij er even niet bij met zijn verstand? Was hij eigenlijk op zoek naar een zeldzame parkietsoort die afgelopen zomer in de omgeving van Almere is gespot? Ik zou het niet weten. Wat mij betreft had de oneindigheid van het vlakke polderland het verdiend om deelgenoot te zijn van deze foto.

Net op het moment dat ik de bladzijde wil omslaan, verlies ik mezelf nogmaals in de foto. Ik moet denken aan het thema dat theaterregisseur Johan Simons afgelopen zomer aanzwengelde tijdens zijn aflevering van Zomergasten. Hij behandelde de schoonheid van het ultieme onvolmaakte. “In het imperfecte vind je de menselijkheid”, zei hij. “Daardoor ga je je meer afvragen”.

Ik fantaseer over de portretstand van de foto als bewuste keuze van de fotograaf. Als keuze om de drie fietsers op deze foto hun verhaal te laten vertellen. Hun menselijkheid te tonen. Het verhaal van de ultieme schoonheid tijdens een onvolmaakte wedstrijd. Zoals elke hele triathlon door zijn lengte bijna per definitie alleen onvolmaakt volbracht kan worden.

Ik kijk naar de voorste fietser en naar zijn gedecideerde blik die hoort bij een inhaalrace. Hij is vastbesloten om de opgelopen achterstand tijdens zijn zwemonderdeel goed te maken. Als een bedachtzame jager splijt hij de tegenwind. Zijn streven naar een perfecte houding en tegelijkertijd zijn ietwat uitstekende druppelhelm en bidon maken hem mooi. Het bijna overstrekte linkerbeen maakt het beeld af.

Dan zijn minder aerodynamische achtervolger. Een master die mij op het verkeerde been zet. Hij laat mij gissen. Is hij ten prooi gevallen aan zijn voorganger? Of hangt hij er al een tijdje aan? Ik weet het niet. De schijn van het overtreden van de stayerregels past bij de onvolmaaktheid van de foto. Net als zijn blik, die mij doet denken aan een op achterstand binnengekomen coureur tijdens een voorjaarsklassieker.

Tenslotte kijk ik naar de achterblijver. De armen op de remgrepen verraden haar gemoedstoestand. De wind is haar tegenstander. Haar geest de aartsrivaal. Ze balanceert tussen wilskracht en berusting. Haar gedachten laten zich raden. Terugschakelen? Even op adem komen? Opgeven? En dan weer de gedachte dat opgeven geen optie is. Natuurlijk kiest ze voor het laatste. Zoals bijna elke triatleet dat doet tijdens zijn Huzarenstuk.

Nadat ik nogmaals alle tijdrijders een blik waardig heb gegund, kom ik tot de conclusie dat de portretstand van de foto een bewuste keuze moet zijn geweest. Net als de schijn die gewekt wordt dat de fietsers door het gras rijden. En net als de windmolen die voor mijn gevoel andersom had moeten staan. Het is een onvolmaakte foto. Net als de  verhalen van de triatleten die op die Septemberdag in Almere over de eindstreep zijn gelopen. De schoonheid van onze sport zit hem in het onvolmaakte. Dat bewijst deze foto maar al te goed.


zondag 15 december 2013

Vroeger

Vroeger was alles beter.
Gelukkig hebben we in de toekomst steeds meer vroeger.

Midas Dekkers


Ik denk dat elke club er eentje heeft. Een veteraan die het allemaal al gezien heeft. Die niet meer hoeft te trainen, maar als hij er is nog verdomde hard gaat. Je ziet hem niet heel vaak, maar zo nu en dan duikt hij weer eens op. Bijvoorbeeld bij een clubkampioenschap. Of bij een fietstraining als de zon schijnt. Bij voorkeur fietst hij dan in het laatste wiel om aldaar zijn sportieve nalatenschap te delen met een ieder die naast hem rijdt. Een rijdende erfenis van sterke verhalen. Verhalen over vroeger.

Wij hebben er ook eentje bij de vereniging. Laat ik hem voor het gemak Harry noemen. Harry is de mastodont der mastodonten. Een archetype waar karakters als Eddy Planckaert en René van der Gijp op gebaseerd zijn. Harry zit vol met scherpe nuchtere analyses en sterke verhalen. Hij is de ideale reisgenoot om het eerste uur van de training mee door te komen. Ik fiets op de zaterdagochtend graag naast Harry.

Zoals het (een) Harry betaamt, klaagt hij steevast aan het begin van de training. “Is dit dertig per uur?” “Mmm, er zal wel iets mis zijn met mijn kilometerteller.” Dit houdt hij drie minuten vol en dan maakt het gegrom plaats voor de analyse. Bijvoorbeeld over een dure fiets waar onze voorganger in het peloton op rijdt. “Ow, dat is dus een P-5.” “Zie je, er staat P-5 op.” “Mooi zwart fietsje.”

Na de analyse gaat Harry echt los. Onzichtbaar verandert zijn zadel in een praatstoel en opent hij een blikje “Vroeger”. “Vroeger deden we een tien-kilometer-loop volle bak direct na de schaatstraining. En dan eindigden we met sprintjes heuvelop om nog even flink te verzuren. Dan was je zo misselijk dat je geen eten meer lustte. Dan kon je direct de kroeg in.” Of, “vroeger reden we zevenenveertig met wind tegen op de Afsluitdijk. En je moest wel in de waaier blijven zitten. Want als je even aan je kont krabde, waaierde je er af en was je met de Kerst nog niet thuis.”

Als Harry op dreef is, komt er geen einde aan zijn openbare redevoering. Het blikje “Vroeger” verandert dan in een fust. Om hem een beetje af te remmen, plaag ik hem wel eens en zeg ik: “Vroeger hadden jullie geen tijdwaarnemingssystemen.” “Dan keken jullie gewoon naar de stand van de zon om te weten wat je finishtijd was.” Maar dat brengt Harry niet van de wijs. Harry’s vroeger heeft namelijk echt bestaan, zo leerde ik na een Google-zoekopdracht en van enkele betrouwbare bronnen.

Vorige week fietste ik weer achterin het peloton. Het was miezerig en dus was Harry er niet. Naast mij fietste een jongen die afgelopen zomer lid is geworden van onze vereniging. Hij vroeg mij of ik wel eens een halve marathon had gelopen en hoe toegewijd je moet zijn in de voorbereiding.

Ik antwoordde: “Vroeger, …”


maandag 11 november 2013

Passie

Hé, er is geen bal op de tv
Alleen een film met Doris Day
En wat dacht je van net twee
Eine Wiener Operette
Nee!

Doe Maar (Doris Day)


Er was niets op de televisie. Hij kon zappen wat hij wilde, maar volharding zou niet leiden tot betere programma’s. Dat wist hij ook wel, maar tegen beter weten in bleef hij toch maar zappen. Soms bleef hij even hangen bij een programma. Dan hoorde hij kok Rudolph van 24 Kitchen zeggen dat hij het zo heerlijk vond om gepassioneerd zijn gekonfijte worteltjes te verwennen. Of dan zei een meisje bij Holland’s got Talent: “Ooh hoelahoepen is echt mijn passie.” Daarna keek hij een minuut lang naar een waardeloze auditie om vervolgens weer verder te zappen.

Vaak negeerde hij alle onzin die voorbij kwam. Maar elke keer als hij het woord passie hoorde dan zuchtte hij even. Wat was er mis met het hebben van een hobby? Waarom moesten mensen hun favoriete vrijetijdsbesteding duiden met een term die hartstocht, drift, of het lijden van Jezus Christus betekent? Toen ook in het zoveelste voetbalprogramma de passie gepreekt werd, zette hij de televisie uit. Ze konden hem wat.

Hij had er vaak van gebaald dat er nooit triatlon op tv was, maar nu zag hij dit als een zegen. Dan kunnen ze in ieder geval het woord passie niet in de mond nemen, dacht hij. Hij moest er smakelijk om lachen, want hij wist dat ze bestonden: gepassioneerde triatleten. Hij had het namelijk wel eens in een triatlonblaadje gelezen. Ook op Twitter zag hij wel eens uitlatingen voorbij komen. Hij probeerde zich voor te stellen wat dat nu is: triatlonpassie.

Hoe driftig zou je op een dinsdagochtend een before-breakfast-run kunnen doen? Of hoe hartstochtelijk is het als een clubgenoot je op de voeten tikt tijdens een piramide-oefening op de zwemtraining? Hij kon veel passende woorden bedenken die de lading konden dekken, maar passie hoorde daar niet bij.

Als het ging om lijden, was dat een ander verhaal. Honderdtachtig kilometer op je fiets in de tijdrithouding is absoluut lijden. Dat wist hij maar al te goed. Om over de daaropvolgende marathon maar te zwijgen. Maar om dan een metafoor als de passie te gebruiken? Dat vond hij toch wel een beetje overdreven.

Nee, in de jaren dat hij nu aan triatlon deed, had hij zichzelf nooit op passie betrapt. Hij had zonder twijfel veel plezier tijdens de trainingen en hij genoot van de wedstrijden. Maar passie had hij nooit gevoeld. Dat was volgens hem meer iets voor in de slaapkamer of het tijdschriftenschap in de supermarkt.


Verveeld zette de jongen de televisie weer aan. Er was nog steeds geen bal op. Ook geen triatlon. Dat vond hij ontzettend jammer.